Kort geding over handelsnaaminbreuk blijkt geen goudmijn

11 november 2020

Advocaten zijn net mensen: ook advocaten kunnen verzeild raken in een juridisch conflict. Een voorbeeld hiervan kwam eind oktober naar voren in een kort geding bij de Rechtbank Den Haag over een handelsnaamgeschil. Vangoud Advocaten was namelijk van mening dat Goud Advocaten inbreuk maakte op een handelsnaam. De rechtbank liep keurig de vereisten van artikel 5 van de handelsnaamwet af en concludeerde dat er duidelijke verschillen zijn tussen beide kantoren en handelsnamen. Geen inbreuk op een handelsnaam dus.

 

Inbreuk op een handelsnaam

In de eerste plaats oordeelde de rechtbank dat de handelsnamen niet precies hetzelfde zijn. Door het voorvoegsel ‘van’ heeft de naam van Vangoud Advocaten veel weg van een familienaam. Goud Advocaten daarentegen gebruikt de term ‘goud’ als een aanprijzende term, wat in het algemene spraakgebruik regelmatig voorkomt. Goud wordt sterk geassocieerd met hoge kwaliteit, waardoor deze term zwak onderscheidend is. Handelsnamen die zwak onderscheidend zijn, kennen een minder grote beschermingsomvang. Daarnaast zijn er grote feitelijke verschillen tussen de twee kantoren. Vangoud Advocaten is gevestigd in Arnhem, richt zich op het vastgoed en overheidsrecht en staat cliënten door heel Nederland bij. Goud advocaten is gevestigd in Gorinchem, werkzaam binnen het arbeids-, contracten-, familie- en ondernemingsrecht, en staat enkel lokale cliënten bij. Overigens lieten beide partijen zich in dit geschil door andere kantoren bijstaan.

 

Onrechtmatige daad

Indien een handelsnaam wordt gevoerd in strijd met de Handelsnaamwet, kan de eiser vorderen dat de gedaagde deze handelsnaam wijzigt. Bovendien kan er door de eiser een schadevergoedingsvordering uit hoofde van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) worden ingesteld, als de gedaagde ongerechtvaardigd voordeel heeft genoten of afbreuk heeft gedaan aan de reputatie van de handelsnaam.

 

Proceskostenveroordeling in IE-zaken

Zoals gebruikelijk is werd ook in deze zaak de verliezende partij veroordeeld om de (proces)kosten te betalen. In een ‘gewone zaak’ gebeurt dat aan de hand van het liquidatietarief. In dat geval worden de proceskosten vastgesteld op een paar duizend euro. Dan is de schade te overzien. Anders is dat bij IE-zaken. In dergelijke gevallen worden de proceskosten vastgesteld aan de hand van artikel 1019h Rv en wordt er een werkelijke proceskostenveroordeling uitgesproken. De verliezer kreeg dus ook nog even een bonnetje gepresenteerd voor de advocaatkosten van de wederpartij van bijna € 13.000,-. Ai…

Lees de uitspraak van de rechtbank Den Haag hier