• Boek 2 Artikel 5 (2:5 BW)

    Gelijkstelling met natuurlijk persoon

    1. Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit.

    Toelichting


    Het belangrijkste in dit artikel is dat een rechtspersoon gelijk is aan een natuurlijk persoon als het gaat om het vermogensrecht. Het begrip vermogensrecht moet hier ruim worden opgevat. Het gaat de wetgever vooral om het onderscheid met het familierecht. Als daar wordt gesproken over een persoon, dan bedoelt de wetgever echt alleen een natuurlijk persoon.

    Doordat de rechtspersoon rechtspersoonlijkheid bezit kan de rechtspersoon zelf in rechte optreden. De rechtspersoon is zelfstandig drager van rechten en plichten, net zoals een natuurlijk persoon. De gelijkstelling met een natuurlijk persoon is niet onbeperkt. In het artikel staat dat de gelijkstelling wordt beperkt als dit uit de wet voortvloeit. Een voorbeeld is een vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid. Deze vereniging kan geen registergoederen verkrijgen en dit vormt een beperking in de gelijkstelling met een natuurlijk persoon.

    Een rechtspersoon kan ook aansprakelijk worden gehouden voor een onrechtmatige daad. De vraag is wanneer er sprake is van een onrechtmatige daad die kan worden toegerekend aan de rechtspersoon of aan de natuurlijke persoon die handelt namens de rechtspersoon. In 1979 heeft de Hoge Raad hierover besloten. Een onrechtmatige daad van een rechtspersoon wordt aan die rechtspersoon toegerekend als het handelen of nalaten in het maatschappelijk verkeer kan worden gezien als het handelen of nalaten van de rechtspersoon zelf. Dus als de natuurlijk persoon heeft gehandeld in de hoedanigheid van de rechtspersoon bijvoorbeeld.

    Jurisprudentie


    Hoge Raad 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595Kleuterschool Babbel.