• Boek 5 Artikel 20 (5:20 BW)

    Natrekking

    1. De eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt:
      1. de bovengrond;
      2. de daaronder zich bevindende aardlagen;
      3. het grondwater dat door een bron, put of pomp aan de oppervlakte is gekomen;
      4. het water dat zich op de grond bevindt en niet in open gemeenschap met water op eens anders erf staat;
      5. gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak;
      6. met de grond verenigde beplantingen.
    2. In afwijking van lid 1 behoort de eigendom van een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, dat in, op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd, toe aan de bevoegde aanlegger van dat net dan wel aan diens rechtsopvolger.

    Toelichting

    Wat is natrekking?

    Door natrekking wordt de eigenaar van een stuk grond zonder overdracht eigenaar van de gebouwen die op die grond staan, of worden gebouwd. Natrekking is daarmee een bijzondere vorm van eigendomsverkrijging. Natrekking kent twee verschillende vormen: horizontale en verticale natrekking.

    Gebouwen en werken

    In artikel 5:20 lid 1 sub e BW is bepaalt dat: ‘de eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt, gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak.’ Dit wordt natrekking genoemd.

    Of een gebouw duurzaam met de grond is verenigd, hangt af van de aard en inrichting van het gebouw. Gekeken moet worden of de aard en inrichting naar de (maatschappelijke) verkeersopvatting is bedoeld om duurzaam ter plaatse te blijven. In dat geval is sprake van duurzame vereniging met de grond, en is de eigenaar van de grond ook eigenaar geworden van het gebouw.

    Daarbij is niet van belang of het mogelijk is om het gebouw te verplaatsen of te verwijderen.

    Verenigde planten, aarde en (grond)water

    Artikel 5:20 BW bepaalt verder dat door natrekking ook de: met de grond verenigde planten, bovengrond, aardlagen en opgepompt grondwater, en bijvoorbeeld een vijver die zich op die grond bevindt, eigendom worden van de eigenaar van de grond.

    Hierover bestaat (in de regel) minder onduidelijkheid.

    Jurisprudentie

    Hoge Raad, 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478 (Portacabin).

    De Hoge Raad formuleert in dit (standaard)arrest vier criteria om te bepalen of een gebouw duurzaam met de grond is verenigd:

    1. Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen;
    2. Bij de beantwoording van de vraag of een gebouw (of werk) bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is;
    3. De bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven dient naar buiten kenbaar te zijn;
    4. De verkeersopvattingen kunnen niet worden gebruikt als een zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij kunnen wel in aanmerking worden genomen voor invulling van bovenstaande criteria.