• Boek 6 Artikel 94 (6:94 BW)

    Matiging en aanvulling

    1. Op verlangen van de schuldenaar kan de rechter, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, de bedongen boete matigen, met dien verstande dat hij de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet.
    2. Op verlangen van de schuldeiser kan de rechter, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, naast een bedongen boete die bestemd is in de plaats te treden van de schadevergoeding op grond van de wet, aanvullende schadevergoeding toekennen.
    3. Van lid 1 afwijkende bedingen zijn nietig.

    Toelichting


    In artikel 6:94 BW is de matigingsbevoegdheid van de rechter geregeld. Op verzoek van de schuldenaar kan de rechter de bedongen boete matigen. De rechter hanteert zijn matigingsbevoegdheid terughoudend, alleen als de billijkheid matiging eist, zal de rechter tot ertoe besluiten. Daarbij wordt met name gekeken naar de verhouding tussen de ernst van de overtreding of omvang van de schade en de bedongen boete. Ook spelen de de specifieke omstandigheden van het geval een rol. Een grote discrepantie tussen schade en boete lijdt niet altijd tot matiging.

    Als de rechter besluit tot matiging, dan lijdt dat tot een zeker voordeel voor de schuldenaar. Aanvulling als bedoeld in lid 2 strekt daarentegen tot voordeel van de schuldeiser. Indien de billijkheid dit eist kan de rechter tot aanvulling van de schadevergoeding besluiten. Vereist is dat sprake is van een boete die bedoeld is in de plaatst te treden van de wettelijke schadevergoeding, niet een boete die alleen als aansporen geldt.

    Wanneer de rechter tot matiging overgaat vormt de hoogte van de wettelijke schadevergoeding de ondergrens. De schuldeiser krijgt nooit minder dan waarop hij volgens de wet recht heeft. Overigens geldt lid 1 als dwingend recht, partijen mogen niet anders afspreken. Van lid 2 mogen partijen onderling daarentegen wel afwijken, dit kan worden opgemaakt uit lid 3.

    Jurisprudentie