xxx

Wat is aansprakelijkheid van ondergeschikten?

aansprakelijkheid hulppersonen

In artikel 6:170 BW wordt de aansprakelijkheid van de werkgever geregeld indien zijn ondergeschikten een fout maakt. Er gelden verschillende vereisten voor de aansprakelijkheid van de werkgever. Er moet sprake zijn van een fout, ondergeschiktheid en een functioneel verband.

Fout

Er moet sprake zijn van een fout. Wat verstaan we onder een fout? Er is pas sprake van een fout als we kunnen stellen dat er een toerekenbare onrechtmatige daad gepleegd door de ondergeschikte. Dit betekent dat de ondergeschikte zelf aansprakelijk moet zijn. Hij heeft zelf de onrechtmatige daad gepleegd en op grond daarvan is hij aansprakelijk voor deze gedraging. Als er geen fout is begaan door de ondergeschikte, kan de werkgever ook niet aansprakelijk worden gesteld. Het is dus een belangrijke voorwaarde.

Ondergeschiktheid

Wat men goed voor ogen moet houden is dat het hier niet gaat om een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het gaat niet alleen om de arbeidsovereenkomst die bestaat uit op grond van artikel 7:610 BW. Het begrip ondergeschikte moet ruim worden opgevat. Het belangrijkste hierbij is dat er een bevoegdheid tot het geven van instructies bestaat. De werkgever moet bevoegd zijn om instructies, aanbevelingen en zo nodig aanwijzingen te geven bij het uitvoeren van de werkzaamheden door de ondergeschikte. Zodra hieraan voldaan is, is er sprake van ondergeschiktheid.

Functioneel verband

Er is alleen aansprakelijkheid voor de werkgever als er ook een functioneel verband bestaat tussen de gemaakte fout en de werkzaamheden die de werknemer opgedragen heeft gekregen van de werkgever. Aan dit functionele verband stelt artikel 6:170 lid 1 BW verschillende eisen.

  • De kans: het feit dat de ondergeschikte de opdracht heeft gekregen deze werkzaamheden te verrichten, heeft de kans op de fout objectief vergroot. Hierbij moet rekening gehouden worden met de omstandigheden waaronder de werkzaamheden zijn uitgevoerd, dus die verband houden met de dienstbetrekking.
  • De zeggenschap: er moet sprake zijn van juridische zeggenschap over de werkzaamheden die voor de fout hebben gezorgd. De werkgever moet deze zeggenschap hebben, anders kan hij er ook niet aansprakelijk voor zijn. Als het gaat om fouten die niet tijdens diensttijd worden verricht, dan kan de werkgever in beginsel ook niet aansprakelijk zijn omdat hij daar geen zeggenschap over heeft gehad. Echter is het niet helemaal zo dat de werkgever buiten diensttijd nooit aansprakelijk is. Als de werknemer buiten diensttijd een fout begaat met gebruikmaking van zaken, gegevens of bescheiden die door de werkgever ter beschikking zijn gesteld, dan kan de werkgever alsnog aansprakelijk worden gehouden voor deze fout. Onder ter beschikking stellen valt meer dan alleen het daadwerkelijk hebben overhandigd van deze zaken of gegevens. Als de werknemer hier op eigen houtje gebruik van heeft gemaakt, simpel weg omdat hij deze zich kon toe-eigenen, hij kon er zonder moeite gewoon bij, dan heeft de werkgever deze ook ter beschikking gesteld aan de ondergeschikte.

Wanneer is er sprake van een werkgever?

Voor de aansprakelijkheid van een werkgever is het natuurlijk van belang om te kijken wat er onder het begrip ‘werkgever’ valt. Artikel 6:170 BW geeft hier geen concrete definitie van. Daarom gaan we ervan uit dat het gaat om de persoon tot wie de ondergeschikte in dienstbetrekking staat, dus als diegene in wiens dienst de taak wordt vervuld. Er kan tevens ook sprake zijn van meerdere werkgevers, het artikel beperkt dit niet tot één.

Een werkgever kan ook gebruik maken van een uitzendkracht. Als een uitzendkracht een fout begaat, wie is er dan aansprakelijk? In feite heeft de uitlenende werkgever de uitzendkracht ter beschikking gesteld, dus heeft hij de formele zeggenschap. Maar, als de uitzendkracht wordt uitgeleend kan deze werkgever geen aanwijzingen en instructies geven, dus de feitelijke zeggenschap ligt bij de inlenende werkgever. In beginsel zijn ze allebei aansprakelijk, tenzij dit anders is afgesproken. De Hoge Raad heeft in 1983 besloten dat een uitlenende werkgever niet meer aansprakelijk is voor de gemaakte fouten van de uitzendkracht, indien de uitlenende werkgever kan aantonen dat hij geen enkele zeggenschap meer had. De inlenende werkgever is niet aansprakelijk indien hij kan bewijzen dat er geen sprake was van ondergeschiktheid, dus dat hij niet de bevoegdheid had om instructies en aanwijzingen te geven tijdens de werkzaamheden waarbij de fout is gemaakt.