xxx

Wat is een maatschap?

Maatschap

De maatschap is een vorm van een personenvennootschap. Het wordt geregeld in Boek 7A BW. Op grond van artikel 7A:1655 BW is een maatschap een overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstane voordeel met elkander te delen.

Kenmerken van een maatschap

Een maatschap is dus obligatoire, wederkerige overeenkomst tot samenwerking. De samenwerking moet gericht zijn op het behalen van gemeenschappelijk vermogensrechtelijk voordeel. Dit voordeel moet behaald worden door middel van een inbreng van elke vennoot. Uit deze ingewikkelde omschrijving zijn de volgende kenmerken makkelijk af te leiden.

  1. Overeenkomst: er moet sprake zijn van een overeenkomst. Dit betekent dat alle partijen gewild moeten hebben dat er een maatschap is ontstaan. Het handigst is om deze overeenkomst schriftelijk op te stellen. Er bestaat een grote mate van vrijheid voor de maatschapsovereenkomst. De partijen kunnen vrijwel in alles zelf bepalen hoe ze de maatschap vorm willen geven. Het grootste deel van het recht dat toeziet op de maatschap is van aanvullend recht. Dat betekent dat er van mag worden afgeweken in de overeenkomst. Alleen als er over een bepaald onderwerp niks is afgesproken, geldt het aanvullende recht.
  2. Tot samenwerking: de overeenkomst moet strekken tot samenwerking. Het gaat erom dat de vennoten samenwerken, niet dat bepaalde vennoten voor een andere vennoot werken. Dit betekent dus dat de vennoten op gelijke voet te werk gaan. Er is geen sprake van een hiërarchische verhouding. Elke vennoot is gelijk in de samenwerking.
  3. Vermogensrechtelijk voordeel: het doel van de samenwerking moet het behalen van vermogensrechtelijk voordeel zijn. Dit betekent dat de samenwerking erop gericht moet zijn om ‘winst’ te halen.
  4. Te delen: in principe is het de bedoeling dat het voordeel met elkaar wordt gedeeld. Het is alleen geen streng vereiste. Het is niet zo dat het voordeel echt daadwerkelijk tussen de vennoten moet worden verdeeld. Het gaat erom dat alle vennoten deel moeten hebben aan het voordeel. Zij moeten in ieder geval de kans hebben op een deel van het voordeel. Als het voordeel uiteindelijk niet wordt verdeeld, betekent dit niet dat er geen sprake is van een maatschap. Alle vennoten hebben wel de kans gekregen om (een deel van) het voordeel te krijgen, maar de vennoten hebben gewoon besloten dit (nog) niet te verdelen. Wat absoluut niet mag is op voorhand al iemand uitsluiten van (een deel van) het voordeel. Als er in eerste instantie al wordt gezegd dat iemand geen kans maakt op (een deel van) het voordeel, dan is er geen sprake van een maatschap.
  5. Inbreng: er ontstaat een verbintenis om iets in te brengen. Dat betekent dat elke vennoot verplicht is iets in te brengen in de gemeenschap van de maatschap. Deze inbreng kan in verschillende vormen. Het kan gaan om geld. Maar ook om arbeid. Iemand kan geld inbrengen, maar iemand kan ook zijn werkzaamheden beschikbaar stellen. Het kan ook gaan om goederen of genot. Bijvoorbeeld een kantoorpand. Een vennoot kan zijn pand in de gemeenschap inbrengen. Maar iemand kan zijn pand ook ter beschikking stellen. Dan brengt hij alleen het genot in. Het gaat erom dat de inbreng een (positieve) bijdrage levert aan het bereiken van het doel van de maatschap. Het behalen van een gemeenschappelijk vermogensrechtelijk voordeel.

Het bestuur van de maatschap

Het bestuur van de maatschap wordt gevoerd door alle vennoten. Er is hier sprake van een samenwerkingsverband. De vennoten werken samen op gelijke voet. In principe heeft elke vennoot evenveel inspraak, tenzij de vennoten dit anders hebben afgesproken in de maatschapsovereenkomst. Elke vennoot heeft een vetorecht. Op het moment dat een vennootschap weet dat een ander een bepaalde handeling wil verrichten, kan hij zijn vetorecht inroepen zodra hij het hier niet mee eens is. Als een vennoot zijn vetorecht inroept, betekent dit dat de handeling niet voor gemeenschappelijke rekening van de vennootschap komt. Dit vetorecht kan alleen worden ingeroepen voordat de handeling is verricht.

Bevoegd handelen namens de maatschap

Een vennoot is alleen bevoegd in naam van de vennootschap te handelen als zij daartoe een volmacht heeft gekregen. Artikel 7A:1679 BW spreekt uitdrukkelijk van een volmacht. Deze volmacht moet worden gekregen van de overige vennoten. Alleen dan kan een vennoot de maatschap bevoegd vertegenwoordigen. Als een vennoot bevoegd de maatschap heeft vertegenwoordigd, zijn alle vennoten verbonden aan deze rechtshandeling met de derde. Vaak gaat hier om een overeenkomst. Niet alleen de handelende vennoot is dan gebonden aan de overeenkomst, maar alle vennoten. Er ontstaat namelijk een verbintenis van de maatschap.

Beheershandelingen

De vennoten mogen niet elke handeling verrichten op basis van deze volmacht. Het moet gaan om beheershandelingen. Beheershandelingen zijn handelingen die zien op de alledaagse werkzaamheden van de maatschap. Het ziet op het doel van de maatschap. Voor het verrichten van beheershandelingen heeft een vennoot dus geen toestemming van zijn medevennoten nodig. Op basis van de in artikel 7A:1679 BW geacht verleende volmacht, kan iedere vennoot deze handelingen verrichten. Als het geen beheershandeling is, dan is er sprake van een beschikkingshandeling. Beschikkingshandelingen behoren niet tot de alledaagse werkzaamheden van de maatschap. Voor het verrichten van deze handelingen heeft een vennoot wel toestemming van zijn medevennoten nodig.

Onbevoegd handelen namens de maatschap

Een vennoot kan ook onbevoegd handelen namens de maatschap. Bijvoorbeeld als hij geen volmacht heeft gekregen van de overige vennoten. In principe zijn dan niet alle andere vennoten gebonden aan deze rechtshandelingen. Het is geen verbintenis van de maatschap. Alleen de vennoot die onbevoegd heeft gehandeld is gebonden. Er bestaan uitzonderingen waardoor toch alle vennoten zijn gebonden.

  1. Toerekenbare schijn van bevoegdheid: het kan zijn dat de derde ervan uit mocht gaan dat de vennoot bevoegd was om namens de andere vennoten te handelen. Als de derde hierin te goeder trouw was, dan kunnen de andere vennoten ook gebonden zijn. De derde kon en hoefde ook niet te weten dat er sprake was van onbevoegd handelen door de vennoot. Er is een schijn van bevoegdheid opgewekt. Deze schijn van bevoegdheid moet dan wel kunnen worden toegerekend aan de medevennoten. Als zij ervoor hebben gezorgd dat deze schijn bij de derde is opgewekt, dan zijn ook zij gebonden aan deze rechtshandeling.
  2. Bekrachtiging: als een vennoot onbevoegd een rechtshandeling heeft verricht, dan hoeft dit niet altijd nadelige gevolgen te hebben. Soms is die rechtshandeling heel voordelig voor de maatschap. Als de medevennoten toch gebonden willen zijn aan deze rechtshandeling, kunnen zij die bekrachtigen. Zij kunnen dan dus achteraf toch instemmen met de rechtshandeling. Ook dan ontstaat er een verbintenis van de maatschap.
  3. Baattrekking: als de maatschap door de onbevoegde rechtshandeling toch is gebaat, kan er ook gebondenheid ontstaan. Als de rechtshandeling voordeel heeft opgeleverd voor de maatschap, dan zou het onnodig zijn om de maatschap hier niet aan te binden. De wederpartij – de derde – moet aantonen dat de maatschap is gebaat bij deze rechtshandeling, waardoor hij de maatschap alsnog gebonden zou moeten zijn. Als dit lukt, dan zijn de overige vennoten ook gebonden. Er ontstaat dan alsnog een verbintenis van de maatschap.